In de huidige tijden wil ik soms alleen zijn, om weg te zijn van spanningen en drukte om me heen. Het lukt namelijk niet altijd om steeds maar ontspannen te zijn, de wereld te nemen zoals hij is en erop te vertrouwen dat alles wel goed komt. Nee. Ook al heb ik 28 dagen alleen op een berg gezeten, af en toe ben ik wat minder verbonden en ontstaat een gevoel van gejaagdheid, spanning en angst. Dan zoek ik de leegte en mezelf weer op – de stilte die vertrouwen geeft. En dat werkt. Altijd.

Soms gebeuren er dingen die ik niet helemaal kan verklaren – voor mij betekent dit dat ik het dan nog niet helemaal snap. En dat is prima, ik hoef niet alles te snappen – ik kan het ook gewoon beleven. Vroeger schreef men onverklaarbare zaken toe aan de goden; men kon onweer niet verklaren en daarom was er de ‘God van de donder’, zodat het toch een logisch plekje kreeg.

De mogelijkheid om iets ‘alles’ te laten zijn

Het onverklaarbare is voor mij bijzonder. Met benoemen, verklaren en toeschrijven blijven er minder mogelijkheden over om het alles te laten zijn. Als het alles kan zijn, ontstaat er ruimte. In mijn hoofd, in mijn lijf en in mijn hart. Dan kan ik waarnemen zonder oordeel, genieten van wat er is en me over alles verwonderen. En aangezien ik benoemen, verklaren en toeschrijven zie als oordelen, helpt het dus om minder te oordelen. Over mezelf, over anderen en over de wereld. En over wat is geweest en wat nog gaat komen. Dit vermindert angst, gejaagdheid en spanning.

Minder oordelen begint met het opnieuw kijken naar de wereld. Vanuit een ontspannen staat en met aandacht. Deze twee zinnen vragen iets van me wat jaren oefening met zich meebrengt, en waar ik in ieder geval nog niet in ben uitgeleerd:

  • Opnieuw aandachtig kijken naar de wereld – met alle zintuigen
  • In een ontspannen staat zijn

Opnieuw kijken naar de wereld

Hiervoor ga ik altijd naar buiten, ergens in het bos of in het park. Waar geen (oordelende) mensen zijn en waar wel natuur is. Voor goed waarnemen heb ik al mijn zintuigen nodig. Dat zijn er meer dan vijf, maar zeker in eerste instantie beperkte ik me tot kijken, luisteren, proeven, voelen en ruiken. Het uitgangspunt is dat als ik meer waarneem, ik meer verbonden ben met dat wat er om me heen en in mezelf gebeurt. En hoe meer ik verbonden ben, hoe minder ik oordeel.

Ik focus me op het luisteren, en besteed daar een half uur aan. Alleen luisteren. Luisteren naar de geluiden als geheel, afgewisseld met het luisteren naar specifieke geluiden. Het liefst zonder te willen weten wát ik hoor. Het kan zijn dat mijn gedachten afdwalen, maar dan ga ik terug naar het luisteren. Het liefst dus zonder gedachten – en als ik dan toch wat denk, dan denk ik aan datgeen waar ik naar luister. Dit doe ik voor alle zintuigen. En als een half uur niet lukt, dan doe ik 5 minuten per zintuig. Of één minuut. Iets is altijd beter dan niets. Als het niet lukt is dat niet erg en is het geen oordeel over mezelf. Als het wél lukt, ga ik op in mijn omgeving.

In het begin werd ik na 10 minuten onrustig, want 10 minuten ‘niets doen’ is toch raar. Ook zat ik te bedenken hoe lang ik nog moest. En wat als ineens iemand langs zou lopen, wat zou hij/zij wel niet denken? Geloof me, dat gaat een keer over.

Proberen te ontspannen helpt – ook als het niet lukt

Het waarnemen gaat nog beter als ik ontspannen ben. Maar dat is een beetje kip-ei, want vaak ga ik naar buiten omdát ik gespannen ben. Het trainen van de zintuigen helpt om te ontspannen – tenminste, als ik mezelf niet veroordeel als het niet lukt. Want dat levert weer spanning op. Om dit te doorbreken richt ik extra aandacht op het ontspannen. Dan lig ik in het gras, zit ik tegen een boom of sta ik gewoon. Ik richt mijn aandacht op plaatsen in mijn lichaam waar ik (spier)spanning voel. Ik begin bij mijn kruin en ga langzaam naar beneden door mijn lichaam. Ik voel waar spanning zit en geef mezelf de ruimte om het te ontspannen. Lukt dat niet? Geen probleem. Dan komt het de volgende keer wel. Of niet. En dat is ook goed. Ik ga zo een keer of vijf van boven naar beneden door mijn lichaam en ontspan steeds verder. Als ik ontspannen ben, dan sluit ik mezelf minder af voor wat er binnenkomt via mijn zintuigen. Voor signalen van buiten of van binnen. Het onbevooroordeeld waarnemen van de signalen zorgt voor verbinding en uiteindelijk voor vertrouwen. Dat laatste bruggetje is niet zomaar gemaakt, en toch… dat lukt een keer.

Er zijn nog allerlei verdiepende en andere oefeningen die kunnen helpen, zowel in het ontspannen, het waarnemen, het focussen als in het omgaan met ademhaling en beweging.  Zeker als ik langer alleen ben (in de natuur) is er veel te doen, te halen en te brengen – om vervolgens te komen tot de stilte en het vertrouwen om er weer even tegen te kunnen. Het mooie is dat de onbevooroordeelde natuur me daarbij helpt. Probeer het maar eens 🙂

Reageer